Wat zullen we eens gaan doen aan begrijpelijke over­heids­taal?

André VerburgEen column van André Verburg, rechter bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en taaltrainer

Ja, maar… de wetgeving is zo onduidelijk. Ja maar… onze tekstblokken zijn zo ouderwets. Ja maar… het ligt politiek gevoelig in de raad en dus moet ik vaag schrijven. Ja maar… ‘de juristen’ zeggen dat het alleen maar zo kan. Allemaal redenen om jezelf te ontslaan van de plicht om in begrijpelijke taal te schrijven.

Ik werk nu zo’n dertig jaar in de bestuursrechtspraak en heb van daaruit veel te maken met bestuursorganen en met de wetgever. Ik geef ook trainingen en ontmoet daarbij mensen uit de rechtspraak, het bestuur en de wetgeving. Mij valt op dat de rechtspraak de verantwoordelijkheid voor begrijpelijke taal naar de wetgever en de bestuursorganen schuift, de wetgever naar de rechtspraak en de bestuursorganen en jawel, de bestuursorganen naar de rechtspraak en de wetgever: als die andere twee staatsmachten het nou eens goed zouden doen, gaat het bij ons vanzelf ook goed, is de hartenkreet. Dat werkt natuurlijk niet. Begin dus bij jezelf! En begin vandaag.

Daarom gaan we nu van de defensieve naar de proactieve manier om hiermee om te gaan, stel ik voor. Wat zullen we eens gaan doen aan begrijpelijke overheidstaal? Niemand kan in één dag twintig vertrouwde schrijfgewoonten veranderen, dus begin met een paar dingen waarmee je deze week start en werk zo elke week verder aan het omturnen van oude gewoonten. Bedenk daarbij dat taaltrainers werken met drie niveaus van veranderingen: (a) woordniveau, (b) zinsniveau en (c) structuurniveau. Daarbij is dat laatste niveau – hoe vertel je je boodschap, wat is de structuur van je hele tekst? – waarschijnlijk het belangrijkst.

Waarom zou je eigenlijk werken aan begrijpelijke taal? Er is een groot aantal goede redenen om hieraan te werken. Ik beklemtoon er hier twee. Eentje voor de burger en eentje voor de overheid, in het bijzonder de gemeenten.

De gemeente is een van de belangrijkste ‘uitdelers van het recht’. Als je een scootmobiel, een bijstandsuitkering, een omgevingsvergunning wilt hebben, als je een demonstratie geregeld wilt hebben en als je de OZB-heffing naar beneden wilt hebben; in al die gevallen moet je naar de gemeente. Zo zijn er nog tientallen zaken die je bij je gemeente regelt. En het recht is van ons allemaal. In een democratische rechtsstaat moet het debat over de vraag of je recht hebt op iets toch niet meer aan ons worden voltrokken alsof we zelf langs de zijlijn staan? Nee, wij, burgers zijn deelgenoot van de rechtsorde. En daarom hebben wij burgers recht op begrijpelijke taal in de overheidscommunicatie. Oké, wij overheidsdienaren vinden dat soms moeilijk om zulke ingewikkelde dingen uit te leggen, maar met het uitgangspunt kan je het toch nauwelijks oneens zijn: wij, burgers hebben recht op begrijpelijke overheidscommunicatie en wij overheidsdienaren moeten daar ons stinkende best voor doen.

In de huidige tijd is gezag van de overheid veel meer dan vijftig jaar geleden een kwestie van persoonlijk gezag: doet deze ambtenaar haar best mij duidelijk te maken wat ik moet doen? Doet deze ambtenaar tijdens de hoorzitting zijn best mij duidelijk te maken hoe de procedure in elkaar steekt? Als je daar als ambtenaar energie in steekt, krijg je vertrouwen terug. En niet alleen vertrouwen in jou, maar ook vertrouwen in jouw overheidsorganisatie. De burger kan aan jouw manier van communiceren merken dat zij ertoe doet als burger en niet zomaar dossiertje nummer zoveel is.

In de vorige twee alinea’s zit nog iets impliciets: wie is mijn lezer? Als je wilt gaan schrijven in begrijpelijke taal, komt onmiddellijk die vraag op. Soms (bij beleid bijvoorbeeld) kunnen dat heel veel verschillende lezers zijn. Soms (bij een brief aan één burger) is het wat duidelijker. Alle schrijvers in overheidsland kampen met deze vraag. Hier geldt één basisregel: als je schrijft voor verschillende lezers, schrijf dan met de minst ingevoerde lezer voor ogen. Er zijn vele tools, maar geen daarvan is heilig. Schrijven ‘op B1-niveau’ klinkt geweldig, maar is niet heilig. Zelf nadenken blijft altijd nodig. Maak je een tekst die heel veel gebruikt gaat worden? Bijvoorbeeld de brief om inwoners op de hoogte te stellen dat ze hun paspoort moeten verlengen. Test dan die brief met behulp van een lezerspanel van mensen uit de doelgroep. Schrijf je een tekst voor eenmalig gebruik? Dan kan dat natuurlijk niet. Geef dan eens die minst ingevoerde lezer van jou een naam (Hannemeike of Hanane), vraag je af of ze een huisdier heeft (kat), wat voor hobby’s ze heeft (elke dag een mooie foto op Insta zetten of actief lid van een beleggingsclub zijn) én vooral: wat wil zij weten als ze de envelop opent waarin de tekst zit die jij nu aan het schrijven bent? Dat voorkomt dat je op je hurken gaat zitten. Want Hannemeike en Hanane zijn niet dom. En ook geen kleuters.

Terwijl ik deze column schrijf (begin juli), kijk ik voor verdere inspiratie eens uit het raam van mijn werkkamer in Den Haag. Ik heb uitzicht op het platte dak van mijn achterburen waar nu al zo’n vijf weken twee jonge meeuwen (kleine mantelmeeuw) bivakkeren. Ze piepen om voer als hun ouders naderen, ze imiteren schor hun gekrijs en wapperen machteloos met hun vleugels zonder van het dak los te komen. Uit eerdere jaren weet ik dat ze heel binnenkort wel vliegen, maar dan eerst nog vooral verbijsterd zijn van het effect van hun vleugelslag, op willekeurige andere daken landen en niet meer weten hoe ze nu terug moeten, totdat hun ouders hen licht chagrijnig weer naar huis bonjouren. Het ziet er allemaal rommelig uit. En toch, als het straks eind augustus / begin september is, zetten zij met hun ouders de trek in, soms zelfs tot Marokko. Dus bedenk als u nog niet heel erg geoefend bent in het schrijven in begrijpelijke taal: het is nu nog rommelig en moeilijk, maar als uw schrijven eenmaal vleugels krijgt, kan u ‘regeltjes’ achter u laten en komt u verder dan uw ogen reiken. Mooie reis!

 

 

Hoort bij het thema