Openingstoespraak Direct Duidelijk Week door Gerdi Verbeet

Op maandag 10 oktober 2022 opende Gerdi Verbeet, voormalig voorzitter van de Tweede Kamer, de Direct Duidelijk Week met een prachtige toespraak. We delen graag haar inspirerende verhaal. Kijk de toespraak hier terug.

Lees hieronder de tekst van de openingstoespraak

Goedemorgen beste mensen,

Wat fijn dat u hier allemaal bent. De Direct Duidelijk Week is een mooi initiatief; echt de moeite waard om voor bij elkaar te komen.

Het is helaas wel een oud en taai probleem. Ik zette mijn eerste stappen in Den Haag in 1994 als politiek adviseur van Tineke Netelenbos. Zij was toen staatssecretaris van Onderwijs. In die tijd klaagden schoolleiders ook al, dat zij de brieven van het ministerie onduidelijk vonden. Uiteindelijk werden alle ambtenaren op schrijfcursus gestuurd – en naar ik hoorde ook ambtenaren van andere ministeries. Dat was dus in de jaren 90. Kennelijk moet elke generatie opnieuw leren op te houden met wat ik noem “verzwijgend schrijven”

Maar laten we dat dan ook doen!

Want het is echt ontzettend belangrijk. Politici en bestuurders en ook de ambtenaren die voor hen werken moeten leren om zo te schrijven, zodat iedereen precies weet wat er staat.

Daar is een hele fundamentele reden voor. Een democratie kan alleen goed functioneren als mensen hun bestuurders ook kunnen begrijpen – wethouders en ministers, maar vooral ook raadsleden en Kamerleden. Dat zijn gekozen volksvertegenwoordigers. En dat woord betekent wat.

Toen ik Kamervoorzitter werd had ik als leidraad gekozen ‘De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk’. Dat staat in artikel 50 van de Nederlandse Grondwet. Het is zelfs de oudste bepaling van onze Grondwet.

En voor mij is één van de consequenties van dat artikel, dat ´het gehele Nederlandse volk´ ook moet kunnen begrijpen wat er in het Parlement gezegd wordt.

Als voorzitter maakte ik me daar dan ook sterk voor. Als iemand een betoog hield dat warrig was of vol vaktaal, dan zei ik gewoon dat ik het niet begreep. Het was niet altijd makkelijk. Vooral bij ingewikkelde onderwerpen, of bij een minister die moeilijke ambtelijke teksten voorleest.

1 debat bijvoorbeeld staat me nog heel goed voor ogen. In augustus 2011 spraken we in de Kamer over de Europese steun aan Griekenland. De toenmalige minister van Financiën, Jan Kees de Jager, had zich helemaal in het onderwerp ingegraven. Het verslag van het debat in De Volkskrant luidde als volgt: “Lichtjes achteroverleunend vertelde de minister de financieel woordvoerders uit de Kamer precies hoe het zat met de steun aan Griekenland. Hij telde getallen bij elkaar op en hij trok getallen van elkaar af. Hij deelde en vermenigvuldigde. Hij had het over 33 miljard, 11 miljard, 54 miljard, 106 miljard en 109 miljard. Hij sprak over credit enhancements, over haircuts, over rentegaranties op obligaties. Hij had er duidelijk lol in. Er was alleen 1 probleem; er was niemand die hem kon volgen.”

Ik herinner het me nog goed. Ik zat al een tijdje te luisteren en dacht: ‘Haircuts”? In Brussel’? Toen heb ik de minister gevraagd of hij misschien kon uitleggen waar hij het in vredesnaam over had. Ik kon me niet voorstellen dat hij in Brussel ook nog tijd had gehad om zijn haar te laten knippen…

Als ik het als voorzitter al niet snap, hoe moet dat dan met mensen die proberen het debat op tv te volgen? Hoe moeten zij politici kunnen beoordelen, bepalen of zij hun stem waard zijn, als ze niet begrijpen wat zo’n politicus zegt?

Maar het probleem gaat dieper. Ik vind dat een volksvertegenwoordiger – of een bestuurder, of een ambtenaar – die publiekelijk zo praat, er blijk van geeft dat hij niet weet voor wie hij eigenlijk werkt.

Eerder dit jaar nam Kim Putters afscheid als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau en zijn afscheidsverhaal ging precies over dit thema. Weten ambtenaren en bestuurders wel voor wie ze werken? Kennen ze de leefomstandigheden, de zorgen, de problemen? De conclusie van Putters is duidelijk: het antwoord is nee. Waar het aan ontbreekt, zo schrijft hij, is het ´burgerperspectief´, een juiste blik op de werkelijke situatie van de burgers.

Ambtenaren en politici behoren zelf tot de groep mensen die het goed voor elkaar heeft – en ze gaan vooral om met mensen voor wie dat net zo is. Ruim 90 procent van de Kamerleden heeft een HBO- of universitaire opleiding. Ze hebben een uitstekend salaris en wonen in mooie huizen in de betere buurten. Dat geldt meestal ook voor hun familie, hun vrienden én voor de ambtenaren met wie ze werken. Hun ´bubbel´ omvat dus maar een klein deel van de Nederlandse bevolking. En wie leeft in zo´n bubbel, mist vaak de signalen over wat er werkelijk speelt in de samenleving. Want de mensen voor wie zij beleid maken, die komen ze daar niet tegen. Maar hoe kun je goed beleid maken als je de mensen niet kent voor wie je dat doet?

Een enkele keer weten sommigen de grens tussen de verschillende werelden over te steken. Zij geven de raakste voorbeelden. Zoals de waarnemingen van de in Vlaanderen geboren politicoloog Tim ’S Jongers. Het gezin waarin hij werd geboren was zo arm, dat hij soms niet naar school kon, gewoon omdat zijn schoenen stuk waren. En er geen geld was voor nieuwe. Door enorme inzet slaagde hij erin op de universiteit te komen. ´s Nachts werkte hij in de daklozenopvang, overdag studeerde hij. En in die tijd vroeg hij zich af: “wat betekent het dat de hoop-vollen bij politicologie worden klaargestoomd voor banen waarin ze beslissen over de hoop-lozen – die ze niet ontmoeten, laat staan leren kennen?”  Over de gevolgen van die kloof schreef hij het boek Beledigende broccoli. Want, oh wat is het goed bedoeld van die scholen dat de kinderen les krijgen in gezond eten, zoals broccoli. Maar wat men zich niet realiseert, is dat veel van die kinderen zonder ontbijt naar school komen. Zoals ´’S Jongers zegt: “In plaats van een beledigende les over broccoli hebben zij meer behoefte aan een bakje yoghurt met een banaan.”

Ook de Rotterdamse hoogleraar sociologie Jeroen van der Waal is zo´n ´ervaringsdeskundige´. Hij zakte voor zijn mavo-examen, werd matroos op een schip en later havenarbeider. Aangemoedigd door een leidinggevende ging hij studeren. Hij promoveerde in de sociologie en op zijn 48ste werd hij hoogleraar. In zijn eerste rede als professor met de titel ´Over leven met een lage status´ spreekt hij over de mensen met wie hij vroeger samenwerkte.

En dan raakt hij precies aan het punt dat mij zo aangrijpt. Lager opgeleide burgers, zo schrijft hij, beginnen hun vertrouwen in de politiek, de rechtspraak en de wetenschap te verliezen. Ze snappen het niet, kunnen er de weg niet in vinden en worden daardoor wantrouwig.

En ik zeg: “Helaas is hun wantrouwen te vaak terecht. Bestuurders en beleidsmakers weten onvoldoende van het dagelijks leven van ´gewone mensen´, van de problemen die ze ervaren – en daardoor komen ze met nogal eens met een aanpak die de plank volledig misslaat.”

Het probleem waar we vandaag over spreken gaat dus diep. Het tast onze democratie aan. Grote groepen mensen hebben geen vertrouwen in politici, geen vertrouwen in de werking van de democratie, gaan niet meer stemmen. Zoals de koning in de troonrede zei: “het is zorgwekkend dat mensen in een volwassen democratie als de onze het vertrouwen verliezen in het oplossend vermogen van politiek en bestuur”.

En zeker heeft dat ook met taal te maken. In een interview in De Groene beschrijft Jeroen van der Waal hoe de mensen die bij zijn onderzoek betrokken zijn aankijken tegen hoe politici spreken. Hij citeert uit gesprekken die hij met hen voert. “Waarom zeggen politici niet waar het op staat? Hebben ze iets te verbergen? Waarom zeggen ze niet: we gaan ervoor zorgen dat dit of dat stopt? Nee, ze draaien eromheen. Ze praten een hoop, maar ze zeggen eigenlijk niks. Ze zijn gewiekst. Achterbaks. Ze willen overal onderuit komen en zeggen dus nooit hard ja of nee.”

Mensen hebben haarfijn door wat politiek taalgebruik is. Het is verhullend. En vaak is dat niet eens bewust; het is een ingesleten gewoonte. Ambtelijk taalgebruik – dat is immers wat je als ambtenaar of bestuurder de hele dag leest en hoort.

Maar soms gaat het verder. Soms is het zelfs de bedoeling dat de burger het niet helemaal snapt. Want politici willen niet alleen bij de verkiezingen, maar ook bij iedere tussentijdse peiling goed scoren. En dat maakt dat ze expres wollige taal gebruiken. Om maar geen kiezer voor het hoofd te stoten.

Als een politicus verschillende stromingen binnen zijn partij allemaal binnenboord wil houden, dan kiest hij vage termen. Als partijen een compromis hebben gesloten, dan zijn ze vaak vaag over wat hun partij daarbij heeft ingeleverd. Als ze eigenlijk niet precies weten hoe het beleid zal uitpakken, dan kiezen ze omfloerste woorden. U kent de trucjes allemaal. Je kiest de lijdende vorm. ´Er wordt iets gedaan…`een vorm zonder onderwerp, zodat niemand er op kan worden aangesproken. Je kiest vage zinnen over beleid dat moet ´landen´, over voornemens waarvan nooit duidelijk is wanneer ze concreet worden.

De laatste jaren is er regelmatig ophef over grof taalgebruik in de Kamer. Dat was al zo in de tijd dat ik voorzitter was. Ik zat in de voorzittersstoel toen Geert Wilders minister Vogelaar Knettergek noemde. Nee, dat was niet mooi. Maar Vogelaar wilde er ondanks mijn herhaalde uitnodiging geen “persoonlijk feit” van maken. Zij had bezwaar kunnen maken, maar zij wilde niet zeggen dat ze zich beledigd voelde. Ze wapperde met haar hand en koos ervoor het debat over de inhoud van haar beleid te houden. En ik accepteerde dat, maar iedereen kon aan mij zien dat ik Wilders woordgebruik afkeurde. Maar eerlijk is eerlijk: een lijst met onaanvaardbare woorden maken is ook echt geen oplossing. Diezelfde avond was er een reclamespot op tv voor ´knettergekke aanbiedingen´ die mensen vooral moesten kopen. En eigenlijk vind ik geheimtaal erger dan straattaal. Dat vond ik toen en dat vind ik nog steeds. Elke partij kiest niet alleen zijn eigen inhoud, maar ook zijn eigen woorden. Ook door taal kun je je als politicus onderscheiden van de anderen. En kiezers stemmen niet alleen op iemand om wat hij zegt, maar ook om hoe hij het zegt. Ook dat is democratie.

In mijn ogen komt het hierop neer: wie onbegrijpelijke taal spreekt, heeft zich of niet verdiept in zijn publiek of hij wil met opzet vaag blijven. Hij omzeilt de waarheid of hij begrijpt zelf niet waarover hij het heeft. Dat laatste is nog het meest onschuldig. Alle andere redenen tonen een gebrek aan respect voor de burgers. En ja: het ondermijnt de democratie. Als mensen zich vernederd voelen, dan doen ze niet meer mee. Ze stemmen niet meer, ze laten zich niet vaccineren, ze hangen een omgekeerde vlag op en denken: zoek het maar uit.

Dat moeten we niet laten gebeuren.

De opdracht waar u voor staat is dus echt van belang. U moet aan de slag.

Bedenk bij elk stuk wat u schrijft: voor wie schrijf ik dit? Weet ik wel zeker dat de geadresseerde dit begrijpt? Kies niet de makkelijke weg van de beleidstaal die u al jaren hoort, maar kies dagelijkse, gewone taal.

Soms vergt dat moed. Als je ambtenaar bent, of tekstschrijver, dan moet je tegen je politieke baas durven zeggen: dit begrijp ik niet. Of: waarom is dit zo vaag, waarom zegt u niet precies wat u bedoelt.

Ik zei al eerder: het is niet voor het eerst dat we ons bezig houden met ´schrijf duidelijke taal´. Er is intussen ook best wat veranderd.

  • De troonrede wordt al jaren ´vertaald´ naar normale mensentaal.
  • Bij de laatste Kamerverkiezingen deden 5 partijen dat met hun verkiezingsprogramma.
  • De organisatie Prodemos geeft ´verkiezingskranten´ uit die in heldere taal beschrijven wat er op het spel staat.

Zo zijn er veel goede voorbeelden. Maar we zijn er nog lang niet. Het motto van Madurodam is: Waar is het kleine Nederland groot in? Mijn oproep is: laten we hier ook groot in zijn. Groot in toegankelijke, kristalheldere taal.

Dank voor uw aandacht. Ik wens graag u een geslaagde week toe!

Hoort bij het thema